Vissen
Fauna

Kaakloze vissen
Phylum Chordata
[Subphylum cephalochordata] Acraniata
De vertebraten (gewervelden) behoren tot de groep Chordaten. De oudst bekende chordaat is de 535 miljoen jaar oude Cephalochordaat (ook wel acraniaten genoemd) Pikaia uit het Midden-Cambrium van de Burgers Shale. Doordat Pikaia de oudst bekende chordaat is kan worden gesteld dat dit of een vergelijkbaar dier onze voorouder is. De gevonden fossielen van Pikaia zijn zo goed geconserveerd dat zelfs sporen van zacht weefsel werden gevonden.
Klasse Agnatha
De Agnatha waren de eerste gewervelde dieren. Resten van deze kaakloze vissen zijn aangetroffen in lagen van het Laat-Cambrium (520 miljoen jaar geleden). Kaakloze vissen bezaten zoals de naam reeds doet vermoeden geen kaken waarmee zij prooi konden pakken. Gepaarde vinnen ontbraken eveneens hetgeen niet bijdroeg aan hun stabiliteit. De Agnatha waren derhalve aangewezen op minuscule voedseldeeltjes of plankton. Het skelet was geheel opgebouwd uit kraakbeen dat niet fossiliseert. Wetenschappers konden hun aanwezigheid bepalen door de ontdekking van benige uitwendige pantsers. Deze pantsers zijn dus wel bewaard gebleven in gesteenten en het is daaraan dat de groep kaaklozen hun naam Ostracodermata (schaalhuidigen) te danken hebben. De kaaklozen beheersten de zeeën meer dan 130 miljoen jaar van het Vroeg-Ordovicium tot het Laat-Devoon, toen kwamen er nog maar twee groepen kaaklozen voor, wormvormige aasetende blinde prikken of slijmprikken en aalachtige, parasitaire prikken of lampreien.
Onderklasse Conodonta
De oudst bekende conodont is gevonden in het Carboon van Schotland, deze kleine, tandachtigen zijn gevonden in Paleozoisch gesteente uit het Laat-Cambrium tot aan het Trias. De primitieve mond was onder een paar goed ontwikkelde ogen geplaatst. De conodont Promissum uit het Laat-Ordovicium van Zuid Afrika werd ongeveer 40 centimeter lang dit dier bezat de primitieve bek van de conodonten onder de oogkassen en bezat tevens een primitieve ruggengraat.
Orde Heterostraci
De oudste vissen en de vroegste gewervelden worden de Heterostraci genoemd. Deze orde stamt uit het Vroeg-Ordovicium en vormen de grootste en meest diverse groep kaaklozen. Alle soorten binnen deze groep bezaten een kopschild dat gedurende hun leven bleef groeien. Gedurende het Late-Siluur en het Vroege-Devoon waren zij het talrijkst. Fossielen van jongere perioden zijn ook gevonden in zoetwater afzettingen.
Orde Osteostraci
De Osteostraci wel Cephalaspiden (kopschildigen) genoemd verschenen voor het eerst tijdens het Laat-Siluur, ongeveer 80 miljoen jaar na de eerste Heterostraci. Deze kopschildigen waren platte bodembewoners die zich ontwikkelden in zee en later ook het zoetwater veroverden. De kopschilden bestonden uit een enkele beenplaat die met het bereiken van de volwassenheid niet meer doorgroeide. Deze soort was uitgerust met een rugvin, gepaarde flappen en een omhooggerichte staart. Het skelet bestond uit kraakbeen waarop een dunne laag been was afgezet, hierdoor zijn de fossielen van deze vissen goed bewaard gebleven.
Orde Anaspida
De anaspida bezaten geen kopschilden, deze kaakloze vissen hadden daarentegen dunne schubben en stabiliserende vinnen. Ze leven in oceanen en zeeën op het noordelijk halfrond tijdens het Laat-Siluur, daarna ten tijde van het Devoon, kwamen zij ook voor in zoetwater.
Kraakbeenvissen
Chondrichthyes
Haaien, roggen en zeekatten behoorden tot de eerste gewervelden die kaken en benige tanden ontwikkelden. Het skelet van de Chondrichthyes bestond geheel uit kraakbeen waardoor alleen de gemineraliseerde tanden van deze dieren gefossiliseerd zijn. Het kraakbeen werd verstevigt door prismatische calciumcarbonaatkorrels die zich in de buitenste lagen van het kraakbeen bevonden welk werd bedekt met een dunne laag been. De gepaarde vinnen waren versterkt met vinstralen van kraakbeen. De huid was bedekt met vele tandvormige schubben. De buikvinnen deden bij de mannelijke vissen dienst als geslachtsorgaan, dit is een unieke eigenschap van kraakbeenvissen. De groep is onderverdeeld in de Elasmobranchi (plaatkieuwigen) en de Holocephalii (zeekatten) welke zich beide ontwikkelden gedurende het Vroeg-Devoon uit een gemeenschappelijke voorouder en beide hebben nog levende vertegenwoordigers.
Onderklasse Elasmobranchii
De plaatkieuwigen waartoe de haaien en roggen behoren ontstonden tijdens het Vroeg-Devoon. De haaien zijn sindsdien praktisch onveranderd gebleven. Het aantal vormen nam toe tijdens het Carboon, de moderne groepen ontstonden tijdens het Jura en zij verdrongen de Ichthyosauriërs en de Plesiosauriërs. Roggen (afgeplatte voor de zeebodem aangepast haaien) en zaagvissen ontstonden pas 200 miljoen na de haaien tijdens het Vroeg-Jura.
Onderklasse Holocephali
De Holocephali of zeekatten zijn de tweede belangrijke groep kraakbeenvissen die voor het eerst tijden het Carboon in het fossiele record voorkomen. De moderne Holocephali waarvan nu 25 levende soorten bekend zijn ontstonden net zoals de Elasmobranchii tijdens het Jura.
Klasse Acanthodii
De Acanthodii zijn de oudst bekende vertebraten met kaken en worden ook wel aangeduid als 'Stekelhaaien" ondanks de naam zijn zij geen familie van de haaien. De Acanthodii bezaten een gestroomlijnd lichaam voorzien van met gepaarde vinnen die met uitzondering van de staartvin waren versterkt met benige stekels. De Acanthodii verschenen reeds tijdens het Vroeg-Siluur ongeveer 50 miljoen jaar voordat de eerste haaien ten tonele verschenen. Mede door de opkomst van de primitieve beenvissen stierven zij tijdens het begin van het Perm uit.
Klasse Placodermi
Deze klasse die wordt opgedeeld in vier hoofdgroepen; de Rhenamda, de Ptycnodoniida, de Arthodira en de Antiarchi, vormt een afsplitsing van de evolutionaire tak die leidde tot het ontstaan van de beenvissen en wordt vertegenwoordigt door een bonte verzameling gepantserde vissen. De kop en voorste deel van de romp werden beschermd door een pantser. De fossiele resten van de placodremi worden gevonden in lagen van het Vroeg-Devoon tot aan het Vroeg-Carboon. De kaken van de Placodermi waren uitgerust voor het verwerken van prooien met harde schelpen.
Primitieve straalvinningen
Klasse Osteichthyes
Deze groep beenvissen worden in de moderne fauna vertegenwoordigt door meer dan 20.000 soorten en deze maken meer dan de helft van alle gewervelde dieren uit. Ten opzichte van diversiteit en kwantiteit zijn zij het succesverhaal van de gewervelden, het waren hun afstammelingen die als amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren het land veroverden. De overgang van kraakbeenvissen naar beenvissen kende een snel verloop. Tijdens het Devoon ontstonden er twee onderklassen die worden onderscheiden op grond van de verschillen in de bouw van het beenskelet van de vinnen. De onderklasse Actinoptergii (straalvinnigen) waarvan de moderne beenvissen afstammen en de Sarcopterygil (spiervinnigen) waarvan de voorouders van de eerste landdieren.
Onderklasse Actinoptergyii
Beenvissen waren de eerste straalvinnigen, aanvankelijk ontstonden zij in de zeeën en oceanen maar later wisten zij zich ook te handhaven in zoet water. Moderne beenvissen zijn directe afstammelingen van de Actinoptergyii, ook de zeldzame steuren, lepelsteuren, Amerikaanse moddersnoeken en kaaimansnoeken stammen uit deze groep. De vinnen van deze groep worden ondersteund door benige parallelle vinstralen. Aanvankelijk waren deze vinnen niet erg beweeglijk, maar bij modernere vormen werden deze steeds flexibeler. Gedurende de evolutie van de Actinoptergyii ontwikkelde deze groep uit gepaarde luchtzakken een zwemblaas waarmee het drijfvermogen kan worden gereguleerd. De aanvankelijk zware schubben werden vervangen door flexibelere en lichtere schubben.
Moderne straalvinningen
Orde Teleostei
De eerste echte beenvissen ontstonden gedurende het Laat-Trias maar gingen het aquatische leven pas domineren aan het eind van het Mesozoicum toen de zeereptielen (tezamen met ondermeer de dinosauriërs op het land) ten onder gingen tijdens de massa-extinctie op de grens van het Krijt en het Tertiair. Moderne vormen zoals de zalm en de forel ontstonden tijdens het Midden-Krijt. De moderne hoogontwikkelde baarsachtige beenvissen ontwikkelden zich gedurende het Laat-Krijt en Vroeg-Tertiair.
Spiervinnige vissen
Onderklasse Sarcopterygii

Latimeria chalumnae
De nu nog bestaande zeven soorten van de Sarcopterygii ontstonden tijdens het Vroeg-Devoon, tien miljoen jaar na het verschijnen van de straalvinnigen, beide soorten behoren tot de beenvissen. In de vinnen van de straalvinnigen bevinden zich geen spieren maar benige vinstralen die werden bewogen door middel van lichaamsspieren. Bij de Sarcoptergyii zijn de borst- en buikvinnen echter gespierde lobben die worden ondersteund door onderling scharnierende beentjes die langs een centrale as zijn gerangschikt. De afgeronde toppen van de vinnen zijn verstevigd door benige vinstralen die onafhankelijk door spieren kunnen worden aangestuurd.
Orde Onychodontiformes
Een vrij onbekende uit het Devoon stammende tot de rhipidisten behorende groep, die de karakteristieke gespierde vinlobben missen maar toch zonder twijfel behoren tot de spiervinnigen.
Orde Porolepiformes

Holoptychius sp.
Deze groep met de voor spiervinnge vissen kenmerkende gespierde vinnen is alleen bekend van het Devoon en bezaten tevens een tweedelige schedel.
Orde Osteolepiformes
![]()
Eusthenopteron
Deze groep ontstond tijdens het Vroeg-Devoon en stierf pas 130 miljoen jaar later uit tijdens het Vroeg-Perm daarmee zijn zij de langst levende vertegenwoordigers van de Rhipidisten De osteolepiforme rhipidist Eusthenopteron wordt door veel paleontologen gezien als de rechtstreekse voorouder van de amfibieën.
Infraklasse Actinistia

Latimeria chalumnae
De Acanthinisten veelal aangeduid als coelcanthiden maakten hun eerste opwachting gedurende het Midden-Devoon. De enig bekende nog levende vertegenwoordiger Latimeria chalumnae werd in 1938 ontdekt nabij de Comoren, waardoor de soort een tijdspanne heeft van 380 miljoen jaar.
Infraklasse Dipnoi

Neoceratodus forsteri
Gedurende het Vroeg-Devoon verschenen de eerste longvissen of Dipnoi, er zijn drie nog levende vertegenwoordigers van de Dipnoi vertegenwoordigd in de moderne zoetwatervissen Neoceratodus (Australische longvis), Protopterus (Afrikaanse longvissen) en Lepidosiren (Amazonolongvis). Longvissen kunnen in tijden van droogte overschakelen van kieuw- naar longademhaling door middel van uitwendige neusgaten.


