Walvissen, Dolfijnen en Bruinvisssen
Fauna

Walvissen, dolfijnen en bruinvissen zijn de hoogst gespecialiseerde zoogdieren, het zijn intelligente gestroomlijnde zwemmers. Ondanks hun aquatische adapties hebben zij een aantal typische kenmerken van zoogdieren behouden, zoals warmbloedigheid, het vermogen om jongen te zogen en de noodzaak om lucht in te ademen. De Catecea ontstonden aan het begin van het Tertiair uit op land levende hoefdieren die op hun beurt weer verwant zijn aan de Carnivora.
Orde Catecae
Suborde Archaeoceti
Deze oerwalvissen verschenen tijdens het Vroeg-Eoceen en ontwikkelden zich uit amfibische zoogdieren. In eerste instantie waren het kleine, vierpotige robachtigen die slecht waren aangepast voor het aquatisch leven. Tegen het einde van het Eoceen waren ze geƫvolueerd tot enorme slangachtige aquatische dieren.
Suborde Odontoceti
De tandwalvissen (Odontoceti) zijn vermoedelijk een aftakking van de oerwalvissen, veruit de meeste moderne walvissen behoren tot deze groep. In het Laat-Mioceen waren deze moderne vormen (bultruggen, spitssnuitdolfijnen, grienden, orka's, beloega's, narwallen, dolfijnen en bruinvissen) al aanwezig
Suborde Mysticeti
De baleinwalvissen ontwikkelden zich gedurende het Vroeg-Oligoceen op het zuidelijk halfrond. Baleinwalvissen leven van plankton en ondanks hun geweldige formaat is hun keelgat niet groter dan 22,5 cm. In plaats van tanden beschikken ze over grote platen van een vezelachtige substantie ook wel walvisbaarden genoemd. Deze baleinen werken al een zeef waarmee het plankton wordt gefilterd worden. De blauwe vinvis is met zijn lengte van 30 meter en gewicht van 144 ton het grootste zoogdier ooit.


