IJstijden

PDFAfdrukkenE-mailadres

Wat is een ijstijd?

Een IJstijd is een relatief koele periode in de historie van de aarde, periode's waarbij het landoppervlakte van de aarde door enorme ijskappen wordt bedekt. De meeste recente ijstijd begon 2.5 miljoen jaar geleden. Sindsdien hebben de ijskappen zich in cyclische perioden van ongeveer 100.000 jaar verspreid en teruggetrokken. Momenteel bevinden we ons in een warmere periode die al 10.000 jaar aanhoudt, hetgeen langer is dan veel van de vorige warme intervallen. We staan dus waarschijnlijk op de drempel van een koude periode. De afgelopen eeuw zijn de gemiddelde temperaturen mogelijk door invloeden van de mens echter juist gestegen, de broeikasgassen die wij uitstoten zijn mogelijk van invloed op de klimaatcyclus. Toen 21.000 jaar geleden de huidige ijstijd een hoogtepunt bereikte, werd één derde van het huidige landoppervlak van de Aarde bedekt door ijs.

Hoe weten we van het bestaan van ijstijden?

De reusachtige ijskappen die zich tijdens de ijstijden vormden hebben hun sporen nagelaten in het landschap. Maar ook fossiel stuifmeel, oude koraalriffen, oceaansedimenten en ijskernen leveren bewijsmateriaal. In 1824 leverde de Noorse geoloog Jens Esmark bewijs dat Noord-Europa in het verleden door landijs was bedekt. Het was Louis Agassiz die in 1840 in een voor die tijd revolutionaire studie "Études sur les glaciers" het bestaan van ijstijden aantoonde. Agassiz merkte op dat de langzame beweging van berggletsjers in Zwitserland bepaalde eigenschappen in het omringende landschap veroorzaakte. Deze omvatten o.a grote zwerfkeien, rotsoppervlakte met gletsjer krassen en löss afzettingen.

Wat veroorzaakt een ijstijd?

Precies weten doen we het nog niet maar er zijn meerdere factoren die van invloed kunnen zijn zoals de positie van de continenten, variaties in de energie uitstoot van de zon, veranderingen in de atmosferische kooldioxide concentraties en de invloed van de biosfeer.

Wat veroorzaakt de warm/koud cyclus binnen een ijstijd?


Tijdens een ijstijd, worden de cycli van zich uitbreidende en inkrimpende gletsjers op kortere termijn verondersteld te ontstaan door regelmatige, voorspelbare variaties in de aardas en de baan en afstand van de aarde tot de zon.

Zeeniveaus

In relatief koude periodes zal door middel van ijsvorming meer water op het land opgeslagen worden voornamelijk op de polen en in gebergten. Dit heeft een daling van het zeeniveau tot gevolg waardoor gebieden zoals de Bering Brug en de Noordzee die nu onderwater liggen droog kwamen te staan. Daardoor worden er in de Noordzee en Oosterschelde ook regelmatig fossielen gevonden van landdieren zoals Mammoeten, Wolharige neushoorns, herten, oerrunderen, hyena's leeuwen en sabeltandkatten.

Pleistoceen het reuzentijdperk

Het Pleistoceen is opgedeeld in een vroege, midden en late periode. Ongeveer 2,6 miljoen jaar geleden begon de Pleistoceen tijdperk. Tijdens het Vroeg Pleistoceen dat begon met het Prétiglien en ongeveer 800.000 jaar geleden eindigde met het Bavelien was alleen het zuid-oostelijke deel van Nederland droog. Uit een tussenliggende periode die we Tiglien noemen naar de stad Tegelen in Limburg zijn veel fossielen gevonden. Vanaf ongeveer 125.000 jaar geleden spreken we van het Laat Pleistoceen dat begon met de Eemien periode en zo'n 100.000 jaar geleden eindigde in de Weichselien periode. Tijdens een lange periode van het Laat Pleistoceen lag de Noordzee droog.

Dieren van het Pleistoceen

Mammoeten



De Colombiaanse mammoet is één van drie species van mammoeten die tijdens de Ijstijd in Noord-Amerika leefden. De andere twee species waren de wolharige mammoet en de Jefferson mammoet. De grootste Colombiaanse mammoeten waren meer dan 4 meters hoog bij de schouders, en wogen zo'n tien ton. De slagtanden van de Colombiaanse mammoet waren tot 4.25 meters lang, en zijn tanden waren aangepast om gras te kauwen.

Wolven



Gelijkwaardig in verschijningsvorm en formaat aan de moderne grijze wolven, ze waren ongeveer 1.5 meter lang en wogen 50 kilogram.

Amerikaanse Mastodont



De Amerikaanse mastodonten waren verre verwanten van mammoeten en olifanten. In Noord-Amerika, waren zij over het algemeen kleiner dan mammoeten. In tegenstelling tot de tanden van mammoeten die bestonden uit een heleboel richels: de lamellen genoemd, hadden de mastodonten botte, kegelvormige tanden die waarschijnlijk werden gebruikt om bladeren en pijnboomnaalden op beboste gebieden te kauwen.

De Sabeltand kat



Zoals zijn naam er al op wijst, had de sabeltand kat grote hoektanden die lang tot 18 centimeter lang waren. De sabeltand katten hadden het formaat van moderne Afrikaanse leeuwen, en korte, krachtige poten die erop wijzen, die dat zij waarschijnlijk hun prooi beslopen en geen prooi achtervolgden.

Grondluiaard



De Grondluiaard was veel groter dan de moderne boomluiaarden, met zijn 1.8 meter en zijn 1600 kilo was het een echte zwaargewicht. De grondluiaard had zeer grote, krachtig-gebouwde ledematen en klauwen. De soort is nog maar kort geleden uitgestorven, palaeo-indianen hebben nog met de soort samengeleefd, mede daardoor zijn er veel skeletten gevonden maar ook pootafdrukken en haren. Daardoor weten we dat grondluiaards een lange, ruige, donkerbruine vacht hadden.

Amerikaanse leeuw


De Amerikaanse leeuw was enigszins groter dan de moderne Afrikaanse leeuw. Hun overblijfselen zijn gevonden van Alaska en noordelijk Zuid-Amerika. Het was een formidabel roofdier met een krachtig-gebouwd lichaam en grote hoektanden. De Amerikaanse leeuw joeg waarschijnlijk in open bossen en weiden op grote prooidieren, zoals de oude bizon en het Westelijke paard.

Kortsnuitbeer



De Kortsnuitbeer (Arctodus simus) was de grootste carnivoor in Noord-Amerika tijdens de ijstijd. Hij was langer dan de bruine (grijze) beer, met langere, slankere achterpoten en een vrij kort gezicht dat meer leek op een leeuw. In Noord-Amerika, bezette de Kortsnuitbeer de hoge weiden van Alaska tot aan Mexico ten westen van de Mississippi. Het jaagde waarschijnlijk op bizons, herten, en paarden.

Bos Muskusos



De Bos Muskusos was een hoefdier dat zich aan de extreme koude had weten aan te passen. Met zijn lange dikke ruwharig vacht en de grote hoornen die aan de uiteinden naar buiten draaiden kon het zich in de bossen en vlakten handhaven. Muskusossen komen nog steeds voor en hoewel ze op runderen lijken zijn ze meer verwant aan schapen.

Holenbeer of Grottenbeer


De Holenbeer (Ursus spelaeus) was een grote tot 3.5 meter hoog staande beer. Hij leefde in grote delen van Europa en woog ongeveer 450 kilogram. (3x het gewicht van een Europese bruine beer) De Holenbeer werd onder meer gekenmerkt door een minder geprononceerde snuit en een lager voorhoofd. Zijn voorpoten waren langer en sterker dan zijn achterpoten. De holenbeer at hoofdzakelijk plantaardig voedsel.

Wolharige neushoorn



De wolharige neushoorn (Coelodonta antiquitatis) is een uitgestorven neushoornsoort die tot 10.000 jaar gelden in Europa voorkwam en die goed aangepast was aan het barre klimaat van de Europese vlakten, Door grote klimaatveranderingen aan het einde van de laatste ijstijd -en misschien geholpen door bejaging door vroege mensen- is deze neushoorn uitgestorven, net als de mammoet. De wolharige neushoorn had twee hoorns, een nasale hoorn en een frontale hoorn. De voorste (nasale) kon reusachtige afmetingen bereiken. De achterste was een stuk korter.

Steppenpaard



Het steppenpaard (Equus caballus) kwam in de laatste ijstijd massaal voor en leefde in grote kudden op de eindeloze steppen van het noordelijk halfrond. Equus is een afstammeling van Merychippus. Het waren relatief kleine paarden. De Equus leefde vanaf het Midden van het Pleistoceen o.a. in de Noordzee wat toen een toendra of steppengebied was.

Reuzenhert



Het grootste hert dat ooit leefde was de breedkop-eland (Cervalces latifrons), met een schouderhoogte had van 220 cm was hij 10 centimeter hoger dan het Reuzenhert (Megaloceros giganteus) Het reuzenhert bezat wel het grootste gewei van alle herten ooit. Het gewei, dat alleen bij de mannetjes groeide, kon een spanwijdte bereiken van 3.6 meter en woog ongeveer 25 kilogram. Het reuzenhert leefde vanaf zo´n 400.000 jaar geleden tot zo'n 9.400 jaar geleden, dus tot in het Holoceen.

Wolharige mammoet


De mammoeten onderscheiden zich door hun kromme slagtanden en lamelkiezen van hun soortgenoten. In Nederland leefde o.a. een kleine mammoetsoort (Mammuthus primigenius) op steppen die zich uitstrekten van Siberie tot aan Engeland. De wolharige mammoet was goed aangepast op een steppeleven zijn relatief kleine formaat, kleine oren en sterke beharing gaven voldoende bescherming tegen de elementen. Het grootste gevonden skelet van een wolharige mammoet had een schouderhoogte van 3.7 meter, gemiddeld is de schouderhoogte 2.6 tot 2.7 meter. Zo'n 300.000 jaar geleden (Midden Pleistoceen) evolueerde de Wolharige mammoet uit de Steppemammoet (Mammuthus trogontherii). De jongste fossielen dateren terug van 7.000 tot 3.700 jaar gelden, dus tot ver in het Holoceen.

Grottenhyena



Dit middelgrote roofdier kwam zo'n 125.000 tot 10.000 jaar geleden voor in Europa, Azie en Afrika. Veel van de fossiele resten zijn aangetroffen in grotten, daaraan heeft het zijn naam dan ook te danken. Die grotten werden tevens als woonplaats gebruikt door de Heidelbergmens en de Neanderthalers. De Grottenhyena was een van de meest voorkomende roofdieren en was een echte aaseter. Op veel Mammoet en Neushoornbotten worden knaagsporen gevonden die van de Grottenhyena afkomstig zijn.

Grottenleeuw



De Grottenleeuw (Panthera leo spelaea ) kwam in ons land zo'n 100.000 jaar geleden voor op de mammoetsteppe. Het dier was met zijn schouderhoogte van 1.20 cm groter de de moderne Afrikaanse leeuw. Scheurkiezen speelden een belangrijke rol in de verwerking van het voedsel.

Edelhert

Edelherten kwamen in ons land al voor tijdens het Midden Pleistoceen. In de Belvédèregroeve bij Maastricht zijn de tot nu toe oudst bekende fossielen van het edelhert in Nederland gevonden, deze dateren van zo'n 250.000 jaar geleden. Gedurende twee extreem koude periode's het Saalien en Weichselien vertrok het edelhert tijdelijk uit onze gebieden.

Wild zwijn

Het Wild zwijn kwam in ons gebied tijdens gematigde en warmere perioden al voor sinds het Midden-Pleistoceen ongeveer 780.000 jaar geleden. Omdat ze gebonden waren aan een bosrijke omgeving met zachte bodem leefden wilde zwijnen hoofdzakelijk tijdens de interglacialen

De Tijdschaal van het Pleistoceen

Tijdschaal van het Pleistoceen
Internationaal
Noordwest Europa
Serie
Sub-serie Etage Super-etage Etage Tijd (Ma)
Holoceen
jonger
Pleistoceen
Laat Tarantien (onbenoemd) Weichselien 0,0115 - 0,116
Eemien 0,116 - 0,128
Midden Ionien Saalien 0,128 - 0,238
Oostermeer 0,238 - 0,243
(onbenoemd) 0,243 - 0,324
Belvédère 0,324 - 0,338
(onbenoemd) 0,338 - 0,386
Holsteinien 0,386 - 0,418
Elsterien 0,418 - 0,465
Cromerien diverse etages 0,465 - 0,850
Vroeg Calabrien
Bavelien diverse etages 0,85 - 1,07
Menapien diverse etages
Waalien diverse etages
Eburonien diverse etages
Gelasien Tiglien diverse etages 1,80 - 2,40
Pretiglien diverse etages 2,40 - 2,588
Plioceen
Piacenzien Reuverien ouder
Blauwe vakken: Glaciaal of Stadiaal
Rode vakken: Interglaciaal of Interstadiaal
IJstijden
FUVIFLOW0909L